FRIESE ADEL EN FAMILIEBEZIT 1780-1880. DE FRIESE ADEL. Eeen steeds kleinere groep die steeds rijker werd. "Zolang mijne herinnering reikt heeft de 2e kamer aan dat gewest hare meest huiselijke leden te danken en Friesland blijft zich daarin onderscheiden". Deze sarcastische uitspraak schreef de bekende politicus RUDOLF THORBECKE op 27 Mei 1856 neer in een brief aan de katholieke advocaat A.F. Jongstra in Heerenveen. Voorwerp van Thorbecke's hoon waren enkele Friese patrici‰rs en adellijke lieden die naar de smaak van de libe- rale voorman behoorden tot de "behoudsmannen" die alles maar liever politiek bij het oude wilden laten. Het is een anecdote uit een boeiend proefschrift van de Leeu- warden Yme Kuiper over de Friese adel in het tijdvak 1780- 1880. Kuiper is daarop deze week in Groningen gepromoveerd. Zijn dissertatie bevat, naast vergelijkingen met elites in Engeland, Frankrijk, Duitsland en de andere Nederlandse gewes- ten en een theoretische bijdrage over elite-onderzoek, diep- gravende beschouwingen over huwelijkspatronen, huwelijks- vruchtbaarheid en sterfelijkheid bij de Friese adel, het belang van die edele lieden voor de economie, hun rol in de politiek en hun inzet voor de cultuur. Het boekwerk bevat vele tientallen onbekende en fraai gereproduceerde illustraties en tal van bijlagen met familie-stambomen van de adel en gegevens over de vermogensposities van de adellijke Friezen. Kuiper's proefschrift van ver over de 500 bladzijden geeft een indringend beeld van een kleine groep mensen die in het Friese leven ooit zo 'n belangrijke rol hebben gespeeld. Dat kwam omdat de landadel hier lang een dominante rol speelde in de Staten, die in de tijd van de souvereiniteit van Frie- sland in de Republiek als het Friese Parlement kunnen worden beschouwd. Het ging daarbij om een gesloten sociale toplaag, die een eigen markante levensstijl had. Die levensstijl was in verge- lijking met adelsgroepen elders bescheiden te noemen. Maar er heerste een sterk standsbesef onder de Friese edelen. Huwe- lijkspartners werden bij gebrek aan voldoende adellijke kandi- daten in Friesland zelf bij adellijke families in andere gewesten gezocht. Huwelijken met partners uit de rijke burger- stand in Friesland werden vermeden. Het ging om een naar verhouding uiterst kleine groep. Kuiper heeft daarover interessante cijfers weten op te diepen. In het begin van de zesteinde eeuw bestond de adelspopulatie in Friesland uit naar schatting 1000 tot 1250 personen. Het ging daarbij om tussen de 10 en 15 promille van de Friese bevolking. In Holland lag het aandeel van de adel op slechts 3,6 promille, maar elders was het veel hoger dan in Friesland. Midden achttiende eeuw was de adelsgroep geslonken tot 250 personen (bij gewijzigde bevolkingscijfers 1,9 promille) In 1827 was het aandeel verder gezakt naar 1,8 promille, en aan het eind van de eeuw behoorde minder dan een half promille van de Friese bevolking nog tot de adel. Waar kwam dat van? Kuiper ontzenuwt - en dat is een van de vele verdiensten van het proefschrift - een aantal mythes over de Friese adel. Die mythes (de Friese adel zou door zijn massale uittocht een soort economisch verraad aan Friesland hebben gepleegd, de adel zou de economische vooruitgang van Friesland hebben geblokkeerd) lijken te zijn ontstaan in de stormachtige periode van het opkomende socialisme in Friesland eind vorige eeuw. De socialisten zorgden er inderdaad voor, dat het (te) flatteuze beeld van de Friese adel dat daarvoor bestond, in gruzelementen ging. Maar het is de vraag, of er een historisch correct beeld voor in de plaats kwam. STEEDS KLEINER. Omdat adellijke huwelijkskandidaten hunpartners alleen in hun eigen stand zochten, volgde als het ware automatisch een teruggang in aantal. Neef en nicht vrijt licht bleek ook hier. Omstreeks 1890 trouwden bijvoorbeeld binnen twee jaar tijd zes kinderen van twee broers van Harinxma thoe Slooten onderling met elkaar. Het voordeel ervan was, dat vermogensoverdracht binnen een zeer kleine familiekring plaatsvond. Het familiebe- zit was soms ook reden om tot onthouding over te gaan. Dat was het geval met een vooraanstaande regent EGBERT SJUCK GERROLD JUCKEMA VAN BURMANIA BARON RENGERS, die na het derde kind weigerde verder met zijn vrouw Wilhelmina de Beyer het bed te delen: "slapende genoegsaam niet meer met haar, vermits gene meer kinderen wil hebben als de drie, die er zijn". Kuiper verklaart het soms opvallend lage kindertal ook uit de mogelijkheid dat sommige edellieden geslachtsziekten over- brachten op hun echtegenotes die daardoor steriel werden. Jongelingen kregen de vermaning te horen, zich niet over te geven aan de verlokkingen van het debaucheren. Daarmee was "sexuele losbandigheid" gemeend. Toch gedroegen verreweg de meeste leden van de Friese adel zich in het geheel niet bui- tensporig. Toen de latere Weststellingwerfse grietman ONNO ZWIER VAN HAREN in 1738 moest trouwen met de naar het schijnt zeer mooie Haagse burgemeestersdochter SARA ADEL VAN DER HULS werd er algemeen schande van gesproken. Vrijere liefdesverhou- dingen, bastaardkinderen, galanterie‰n, familieschandalen, avontuurlijke carri‰res en opvallende levensgewoonten warenb er wel, maar alleen bij bepaalde families, die zich op de Haagse en Franse hofcultuur ori‰nteerden, zoals bij VAN HAREN, VAN BURMANIA, SIRTEMA VAN GROVESTINS en VAN AYLVA. JACHTHONDEN. Bij de gevaren, die de vrouwen liepen in het kraambed te sterven, kwamen tweede en derde en vierde huwelijken nogal eens voor. Dat ontmoette lang niet altijd instemming bij de kinderen uit de eerste relatie. Van freule CAROLINA EMILIA COLLOT D'ESCURY (1806-1834) wordt verteld dat ze als tiener, toen haar vader en zijn dertien jaar jongere tweede echtgenote naar de familiestate 'Lyts Hermana' bij Mennertsga terugkeer- den, de jachthonden ter begroeting op het paar losliet. In het tijdsvak 1700-1850 eindigden van de bijna driehonderd onder de Friese adel gesloten huwelijken maar twee in een echtschei- ding. Besmettelijke ziektes troffen de allerarmsten het hevigst. Mensen van adel hadden veel meer gelegenheid om bijvoorbeeld schoon drinkwater te kopen, en daardoor een grotere kans te lopen, zich te vrijwaren van plagen als de pest, de cholera of de malaria. Toch was de angst voor besmettelijke ziektes een reden om te verhuizen, zoals SCHELTE BARON VAN HEEMSTRA, die in 1848 voor zijn ambt van grietman in Metslawier bedankte en naar Den Haag verhuisde vanwege het malariagevaar in de door voortdurende verzilting geteisterde Dongeradelen. Kuiper vermeldt niet alleen in de tekst maar ook in de bijla- gen, zeer veel interessante gegevens over de sociaal-economi- sche positie van de Friese adel. Maar hij doet meer. Hij plaatst dergelijke cijfers in een geografische context. Duide- lijk is, dat de Friese adel bijzonder rijk was. In een provin- cie, die voor het overige steeds verder in het moeras van de armoede wegzakte, bestond een kleine uitzonderlijk rijke topgroep van grootgrondbezitters. Van de honderd Nederlandse hoogstaangeslagenen in de som van de drie direkte belastingen woonden er in 1851 maar liefst 25 in Friesland, bij een aandeel van 8 procent in de totale bevolking van het koninkrijk. Onder de honderd grootgrondbe- zitters in Nederland was het Friese aandeel zelfs 34, Zelfs in 1891, in een tijdvak van onvoorstelbare ellende onder de massa van Friese land- en veenarbeiders was Friesland met 11 en 14 personen nog steeds oververtegenwoordigd in het klassement van de som van de drie belastingen en dat van de grondbelasting. LANDEIGENAREN. Onder de tien allergrootste landeigenaren in Nederland bevon- den zich in 1851 vier edelen en ‚‚n patrici‰r uit Friesland. Die edelen waren de jonkers GERARD REGNIER GERLACIUS VAN SWINDEREN, TJALLING AEDO JOHAN VAN EYSINGA, PIETER BENJAMIN JOHAN VEGILIN VAN CLAERBERGEN en IDZERD FRANS VAN EYSINGA. De patrici‰r was TH.M.TH. LOOXMA, afkomstig uit een familie van rijke olieslagers. In 1876 verdeelden de erfgenamen van LOOXMA een nalatenschap van bijna Ÿ 6.900.000,-. De net genoemde PIETER VEGILIN VAN CLAERBERGEN liet in 1879 een erfenis na van Ÿ 5.780.580,-. De uit Gelderland afkomstige RIJNHARD BARON VAN LYNDEN (1742-1819) die door zijn huwelijk met de Opsterlandse YPKJEN HILLEGONDA VAN BOELENS veel grond verwierf, liet bij zijn dood 141 boerderijen, 34 huizen en een netto vermogen van Ÿ 1.741.822,- na. Een deel van dat kapitaal is met het vertrek van de adel uit Friesland verdwenen, een ander deel verdween door fout beheer, door pech of gewoon door pure liefdadigheid. De aanvankelijk zeer vermogende JONKER JAN HENDRIK FRANS KAREL VAN SWINDEREN, bijgenaamd de "God van Gaasterland" wendde zijn fortuin aan om een ieder te helpen die bij hem aanklopte. Boeren kregen in zware tijden een lagere huur of renteloze leningen, arbeiders werden gratis ondergebracht, schippers of winkeliers konden geld lenen en arme emigranten met als reisdoel Amerika konden soms rekenen op een bedrag ineens. Maar de grote ramp was voor hem het Panamaschandaal. Hij verspeelde een groot deel van zijn vermogen in een volstrekt waardeloos reddingsplan ter financiering van het Panamakanaal. Van het eens zo grote familiebezit bleef alleen 'Huize Rijs' over. De aristocraten hadden in de Friese Staten tot en met 1850 met 32 van de 54 leden zeer veel te zeggen. Na de bestuurshervor- ming van Thorbecke zakte het aantal aristocraten in 1851 naar 12 (van de 50 Statenleden). In 1854 kwamen er 18 arstocraten in het provinciaal bestuur, in 1860 zelfs 20, maar daarna daalde hun aantal steeds meer. In 1890 zaten er nog 6 aristocraten in de Staten. Maar ondanks het teruglopende aantal bleef de politieke invloed van de adel sterk. GEEN VERRAAD. Er is daarom wel gedacht, dat de adel met zijn zogeheten traditionale op de landbouw gerichte mentaliteit de ontwikke- ling van de provinciale economie heeft belemmerd. Er is zeker een verband tussen de veeteelt en de voorspoed van de adel. De Friese adel werd mede rijk dankzij de opbrengsten van de vee- teelt (boterexport) en zou daarom volgens Kuiper het beste kunnen worden aangeduid met boteradel. Maar van een "verraad van de Friese adel" die verwuimd zou hebben Frieslands economie te versterken in andere sectoren dan de landbouw is volgens hem geen sprake. De oorzaak van economisch achterblijven van Friesland ligt naa zijn smaak elders. De Bataafs-Fransr tijd betekende voor Friesland bovenal verlies van zijn politieke en staatkundige zelfstandigheid en onderschikking aan een centraal geregeerde eenheidsstaat. Die eenheidsstaat kwam tot stand tegen de zin van de meeste Friezen. Men had liever de politieke zelfstan- digheid van voor 1795 behouden. Het verlies van die politieke zelfstandigheid hield ook in, dat de vormen van nijverheid die er in Friesland waren, niet meer door een overheid konden worden beschermd en zich moesten handhaven in een groter wordend marktsysteem. Dat lukte lang niet altijd. De Friese vrachtvaart en nijverheid verloren de slag in de concurrentie met bedrijfstakken elders in Nederland. De adel had, zo stelt Yme Kuiper, juist wel bemoeienis met de verbetering van de infrastruktuur binnen Friesland, dus van een economisch verraad van deze groep kan niet worden gespro- ken. De adel was wel erg rijk, maar vormde tevens een uiterst kleine groep. Beter zou het volgens hem zijn, te kijken naar het spaar-, consumptie- en investeringsgedrag van bemiddelde boeren en rijke burgers. Hij wijst bovendien op de doorslagge- vende rol van de infra-struktuur die in de nieuwe eenheids- staat Nederland ontstond. Want pas die veranderingen in infra- struktuur en transportmogelijkheden brachten in Nederland de industrialisatie echt op gang. Omdat die infrastruktuur een door de eenheidsstaat gedirigeerde zaak was, kwam Friesland in de periferie van Nederland te liggen. En dat bepaalde ook de (minder gunstige) kansen op economische ontwikkeling. Door Kees Huisman. ADEL IN FRIESLAND 1780-1880, van Yme Kuiper Uitgeverij Wolters-Noordhoff/Egbert Forsten, Groningen; Ge‹llusteerd geboden 576 blz. Ÿ 125,- Uit: Leeuwarden Courant - 29-05-1993.